SECTORAKKOORD PC 336

Er werd een ontwerp van sectorakkoord bereikt in PC 336, het paritair comité voor de vrije beroepen. In de onderstaande news vinden jullie meer informatie over de belangrijkste elementen van dit akkoord en over de voornaamste wijzigingen die binnenkort van kracht zullen zijn.

  1. Suppletieve regeling van loonindexering

Er wordt voor de periode 2023-2024 een regeling van loonindexering ingevoerd die van toepassing is op de werknemers van ondernemingen waarin nog geen regeling van loonindexering wordt toegepast en van wie het maandloon hoger is dan het minimumloon van de sector:

  • het bedrag van het vast maandloon, begrensd op een voltijds maandloon van € 3.500, op 1 januari 2024 aangepast in functie van de reële evolutie van het afgevlakte gezondheidscijfer in het jaar 2023 berekend als volgt: het rekenkundige gemiddelde van de afgevlakte gezondheidsindexcijfers van november en december 2023 in verhouding van het rekenkundig gemiddelde van de afgevlakte gezondheidsindexcijfers van november en december 2022;
  • het bedrag van het vast maandloon begrensd op een voltijds maandloon van € 3.500 op 1 januari 2025 aangepast in functie van de reële evolutie van het afgevlakte gezondheidsindexcijfer in het jaar 2024 berekend als volgt: het rekenkundige gemiddelde van de afgevlakte gezondheidsindexcijfers van november en december 2024 in verhouding van het rekenkundig gemiddelde van de afgevlakte gezondheidsindexcijfers van november en december 2023.

Effectieve verhogingen van het loon en/of andere voordelen die in de loop van respectievelijk 2023 en 2024 werden of worden toegekend kunnen worden verrekend op de hierboven voorziene loonindexeringen. Automatische verhogingen van het loon in toepassing van een collectief vastgestelde loonschaal op ondernemingsvlak, bonussen in het kader van de Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90 van de Nationale Arbeidsraad (NAR), een koopkrachtpremie en kostenvergoedingen komen daartoe niet in aanmerking.

De voordelen worden op basis van hun totale kost (bruto + patronale RSZ) aangerekend op de loonkost van de hierboven voorziene loonindexeringen.

  1. Minimum maandloon

De categorieën 1, 2 en 3 van het minimummaandloon worden vanaf 1 januari 2024 afgeschaft. Vanaf 1 januari 2024 zal categorie 4 van het minimumloon worden vastgesteld als de enige maandelijkse minimumlooncategorie, zonder leeftijds- of anciënniteitsvoorwaarde.

Op 1 januari 2024 bedraagt het minimum maandloon voor alle werknemers in de sector 2.048,93 EUR.

Vanaf 1 januari 2024 zal daarnaast ook het specifieke jongerenbarema worden afgeschaft.

  1. SWT

De huidige regelingen omtrent het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) worden in het sectorakkoord verlengd voor de periode 1 juli 2023 tot 30 juni 2025. Het betreft meer bepaald het recht op SWT lange loopbaan vanaf 60 jaar voor werknemers met minstens 40 jaar loopbaan en minstens 10 jaar anciënniteit in de onderneming.

  1. Tijdskrediet

Voor de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025, kunnen bepaalde werknemers - afhankelijk van hun anciënniteit - voltijds of halftijds tijdskrediet opnemen:

  • tijdskrediet met motief 24 maanden voltijds of halftijds voor werknemers met minstens 3 jaar anciënniteit in de onderneming;
  • tijdskrediet met motief 36 maanden voltijds of halftijds voor werknemers met minstens 5 jaar anciënniteit in de onderneming;
  • tijdskrediet met motief 51 maanden voltijds of halftijds voor werknemers met minstens 8 jaar anciënniteit in de onderneming.

De huidige regelingen voor tijdskrediet landingsbaan werden eveneens verlengd voor de periode van 1 januari 2024 tot 31 december 2025.

  1. Opleiding

Afhankelijk van het aantal werknemers dat in de onderneming tewerkgesteld wordt, heeft een voltijdse werknemer recht op een bepaald aantal individuele opleidingsdagen:

In bedrijven met minstens 5 en minder dan 10 werknemers:

  • Vanaf 1 januari 2024, 1 individuele opleidingsdag per jaar.

In de bedrijven met minstens 10 en minder dan 20 werknemers:

  • Vanaf 1 januari 2023: 1,5 individuele opleidingsdag per jaar;
  • Vanaf 1 januari 2026: 2 individuele opleidingsdagen per jaar.

Enkel in de ondernemingen met 20 werknemers of meer:

  • Vanaf 1 januari 2023: 3 individuele opleidingsdagen per jaar;
  • Vanaf 1 januari 2024: 3,5 individuele opleidingsdagen per jaar;
  • Vanaf 1 januari 2026: 4 individuele opleidingsdagen per jaar;
  • Vanaf 1 januari 2028: 4,5 individuele opleidingsdagen per jaar;
  • Vanaf 1 januari 2030: 5 individuele opleidingsdagen per jaar.

De werkgever heeft de verantwoordelijkheid om de opleidingsdagen aan te bieden tijdens de werkuren. Indien de opleiding plaatsvindt buiten de arbeidstijd, moet de werkgever aan de werknemers een gelijke compensatie in arbeidstijd toekennen.

De verplaatsingskosten van de werknemer die betrekking hebben op de opleidingsdagen komen voor rekening van de werkgever.

  1. Fietsvergoeding

Voor de werknemers die regelmatig gebruik maken van de fiets voor het woon-werkverkeer wordt de fietsvergoeding vastgesteld op 0,27 EUR/km, met een maximum van 10,80 EUR per werkdag (40 kilometer heen en terug).

De fietsvergoeding is niet cumuleerbaar met andere tussenkomsten op het woonwerktraject, met uitzondering van de tussenkomst voor openbaar vervoer.

***

Zoals u merkt werden er in het sectorakkoord geen bepalingen opgenomen met betrekking tot de koopkrachtpremie. Deze premie dient dus niet verplicht toegekend te worden in de sector van de vrije beroepen. Dit staat niet in de weg dat u als werkgever kan beslissen om een koopkrachtpremie op ondernemingsniveau toe te kennen aan de werknemers.

Indien u bijkomende vragen zou hebben over de inhoud van het sectorakkoord of de toekenning van een koopkrachtpremie, kan u zich steeds wenden tot  legal@ssn.be.

Labels

By Lauren Merens
Legal Officer